Mongoolse ponyDe Mongoolse pony is één van de drie oerpaardenrassen. Hij is een afstammeling van de Przewalski en hij leeft in grote kudden in Oost-Europa en Azië. In Mongolië, Tibet en China werd het ras gekruist met andere paarden en pony's. Deze pony geldt als de voorvader van de Turkmeen, de Buthaan, de Spitia, de Tibetaanse lastdieren in de Himalaya en de Manipur-paarden van Assam.

Geschiktheid

De dieren zijn vooral rijpony's maar worden ook ingezet als lastdier, herderspaard en ook gebruikt in de landbouw. In sommige regio's is hij ook van dienst tijden de wolven- en vossenjacht. Het zijn snelle pony's die al rennend een afstand van 40 km. kunnen afleggen. Een Mongoolse pony kan ook een volwassen man met volle bepakking een dag dragen, zelfs over onherbergzaam terrein of over sneeuw en ijs. Van hun melk wordt er kaas, boter en koemis gemaakt.

Uiterlijk

De vacht van de Mongoolse pony is ruw. Een groot hoofd met kleine ogen en brede oren, de hals is kort. Zwaar gebouwde schouders met een diepe borst. De rug is vrij kort met eronder sterke benen en harde, ronde hoeven. De staart is hoog ingeplant en ruw. Deze pony's zijn valkkleurig, bruin of zwart.

Kenmerken

Harder dan alle andere paardenrassen, zelfs taaier dan de Arabier. Overleven extreme koude met een weinig voedsel. Het zijn zachtaardig pony's maar vastberaden.

Stokmaat

Van 1,27 m. tot 1,47 m.

Bron: Watson M., Lyon R., Montgomery S. (1999). Horse (The Complete Guide). London: Team Media Limited.